Luctor et emergo
het louterende water
Hoewel woonachtig op drie loopminuten van de Libische zee, schep ik nog steeds geen genoegen in een bezigheid die ik voorheen slechts als zinvol beschouwde onder schipbreukelingen en slachtoffers van watersnoodrampen. Niet dat ik de kunst niet machtig ben. Zwemmen is net als fietsen, men verleert het nooit. De heilzame werking leer ik kennen in 2018, nadat orthopedisch chirurg M. Ekonomakis te Agios Nikolaos een hernia aantreft in mijn onderrug. Als enige therapie beveelt hij aan, dagelijks een zeemijl af te leggen in school- dan wel vlinderslag.
In onbegrip staar ik hem aan bij het aanhoren van zijn in het Grieks uitgesproken diagnose, doch wanneer mijn liefhebbende vrouw Angela uitbarst in een onbeschroomd lachen, voel ik reeds de zilte nattigheid. In het land met de langste kustlijn van Europa is het meest gegeven doktersadvies om zich te bewegen in zee. Dit is wellicht ingegeven door de praktijk van de algehele onderdompeling tijdens de Grieks-Orthodoxe doop, waarvan de louterende werking voor lichaam en geest algemeen wordt onderkend. In de prille ochtendstond ontwaart men dan ook alom de met zonnehoeden getooide ouderen die zich staande in het water aangenaam verpozen met discussies over politiek en gastronomie, hun stramme ledematen bewegend in een gewichtsloze Sirtaki. Mijn gade noemt ze de Talking Heads, en ook wel de Hoedjes.
Geplaagd door aanhoudende uitstralende pijnen zie ik de noodzaak om in actie te komen. Al drie jaren onverzekerd, zal mij een operatie beslist te begrotelijk worden en deze remedie is kosteloos, afgezien van de door mij gevreesde temperatuurschok tijdens het induiken. Dagelijks vergezel ik vanaf dat moment mijn geliefde bij het krieken van de dag, lang voor het tijdstip waarop de eerste toeristen hun handdoeken op de ligbedden plegen uit te spreiden.
Met krachtige slagen, aanvankelijk om warm te blijven, maar vooral noodwendig om het geringe drijfvermogen van mijn vetarme lichaam te compenseren, doorklief ik de kristalheldere wateren der Lyviko, van het café Petrinos tot aan de dolfijnentrap en weer terug, waarbij ik mijn vrouw ver achter mij laat. Reeds enkele weken later is een significante vermindering van de klachten te bemerken en na twee maanden en 100 kilometer ben ik volledig genezen. Gebronsd en gespierd passeer ik in zwemtenue de tuin van appartementencomplex Villa Mertiza, waar mij de jeugdige gastheer koketteert met de roepnaam Tarzan.
Deze buitengewone watervlugheid is te danken aan een incident in mijn jeugd. Wanneer ik op vijfjarige leeftijd tijdens een regulier uitstapje naar de Nunspeter Plas plots schitter in afwezigheid, breekt de paniek uit. Geholpen door enige omstanders begint Vader het ondiepe zandgat om te woelen in een verbeten zoektocht naar zijn halfverdronken jongste zoon. Wanhopig heft Moeder de handen ten hemel en spoort hem jammerend aan, haar stem gebroken in angst.
Te langen leste word ik aangetroffen bij de ijscokraam, alwaar ik met aandacht de aangeboden waren bestudeer. Ofschoon ik mij geen moment te water heb begeven, zit de schrik er zodanig in dat wordt besloten mij vervroegd op zwemles te sturen. Voor het verplichte schoolzwemmen ben ik immers nog te jong. Onlangs is het overdekte en verwarmde bad “De Timp” gereedgekomen, zodat de ijzige koude van openluchtbad “De Wilg” mij bespaard blijft. Reeds kwamen mij de horrorverhalen van broeder Jacob en zuster Trijnie ter ore, waarin zij tijdens het schoolzwemmen door een dun laagje ijs in het water werden gedwongen. Mij wordt evenwel de betrekkelijke luxe deelachtig van een splinternieuw instructiebad met een constante temperatuur van 22 graden Celcius.
De gebroeders Paardekooper zijn de badmeesters die het jonge grut met harde hand de zwemkunst bijbrengen. Dreigt één van ons te verdrinken, dan bedienen zij zich van een lange stok met een haak om ons op weinig zachtzinnige wijze het hoofd boven water te houden. Deels door de gestrengheid van mijn leermeesters, deels door mijn verlangen om het theater zo snel mogelijk achter de rug te krijgen, haal ik in korte tijd mijn eerste getuigschrift.
Zowaar begin ik er langzamerhand een gematigd plezier in te krijgen en spoedig volgt het B-diploma, alsmede het Jeugdbrevet 1, uitgegeven door de K.N.B.R.D., de Koninklijke Nederlandse Bond tot het Redden van Drenkelingen. Te dien einde moet o.a. geheel gekleed een zich levenloos houdend medestudentje naar de wal worden gebracht, geen geringe prestatie voor een vijfjarige. Nog jaren prijken de trofeeën aan de wand, gevat in kleurige zachtplastieken lijsten.
Het haast militaire bewind der gebroeders Paardekooper plant in mij het zaad voor een levenslange aversie van autoriteit. De harde stemmen, korte commando’s schreeuwend in de galmende akoestiek van het overdekte bassin, het kuddegedrag van een grote groep kinderen en de toepassing van strenge regels en straffen, ze brengen in mij een diepe afkeer teweeg die in de toekomst alleen nog maar zal toenemen.
Nog immer overschrijd ik de waterlijn slechts bij hoge uitzondering, daar een medische noodzaak zich tot dusver niet meer aandiende. Mijn vrouw begeeft zich dagelijks zeewaarts, de Talking Heads beleefd op afstand houdend.



