Deus requievit in Elim
los zand
Bij mijn ontslag uit het ziekenhuis was ik een wit en mager ventje. De 250 injecties met antibiotica hadden enige collateral damage aangericht, en de 84 dagen zonder buitenlucht hadden mijn kleur doen verbleken. De omgeving voelde weer vertrouwd en veilig, maar dikwijls was ik vermoeid en ontbrak mij de lust tot eten. Moeders liefdevolle inspanningen in de keuken vermochten daarin geen verbetering te brengen. Opoe breide een serie strakke onderbroeken met pijpen die ik rond de klok moest dragen, ter bescherming van de nieren en als voorzorg tegen blaasontsteking. De grauwe angorawol prikte op mijn gevoelige huid, en onder een korte broek staken de pijpen soms zichtbaar uit, hetgeen mij hevig beschaamde. Een revival van deze eertijds door mij verfoeide kleedwijze ziet men nu bij betaalde voetballers, met name in de koude maanden.
Des nachts geplaagd door bange visioenen waarde ik ijlend rond, dikwijls hardop profeterend. Met vlakke, toonloze stem waarschuwde ik voor de Weesjongens, gekleed in lange witte schorten, groot in getale en gewapend met lange messen. Mijn broer en zusters hoorden zich de horror aan om ze des anderendaags aan de pap tot vervelens toe te imiteren. Zelf kon ik mij de nachtelijke escapades niet herinneren.
Ongehinderd door het residu van mijn door farmaceuten vernielde afweer vond elk virus een warm onthaal, zich vergenoegd nestelend in mijn verzwakte luchtwegen, een overmaat aan phlegma veroorzakend die zich door neus, keelholte en oren een weg naar buiten baande, mijn dagen invullend met hoest en gesnotter, die mij haast werden tot een tweede natuur. Met zorg toegediende heilzame stropen van peterselie, salie, rozemarijn en thijm1 beloofden deze smart te helen, maar verhoogden slechts de suikerspiegel in mijn aderen.
Onverhoord bleven mijn avondgebeden aan de Allerhoogste waarin ik ootmoedig smachtte om vergeving van kleine zonden en sterking van mijn gestel, ten hemel gezonden vanuit mijn hoog met dekens opgetaste ledikant. Met graagte had ik geknield gelegen voor mijn bed als op het obligate plaatje in de Bijbel voor de Jeugd, doch dergelijke fratsen behoorden tot de paapse heilloze praktijk van uiterlijk vertoon, die wij immers met recht hadden afgezworen. De schoolarts gaf het dringende advies mij naar een vakantiekolonie te sturen.
Elim was de pleisterplaats op weg naar Kanaän, landelijk gelegen tussen zeventig palmbomen en voorzien van twaalf waterbronnen, waar het volk Israël zich in de schaduw wat kon opfrissen - na een sportieve wandeltocht vanuit Egypte onder leiding van een gecertificeerde gids, met een spectaculaire wadloopclinic2 in de drooggevallen bedding van de Golf van Akaba als toegift. Een welkom intermezzo in een gevarieerd programma dat nog een meerdaagse woestijnreis in petto had, bomvol lezingen en demonstraties van velerlei aard.
Ook was Elim de naam van het Chr. Vakantiekoloniehuis aan de Badweg te Schiermonnikoog, waar ik ter aansterking zou worden heengezonden. Het had plaats voor 80 zogeheten bleekneusjes in de leeftijd van 6 tot 12 jaar, steeds ingeboekt voor een periode van zes weken. Holistische dagbesteding bestaande uit beweging in de buitenlucht en gezonde voeding, aangevuld met gedoseerde schriftlezing en doelgericht gebed, zou door zijn louterende werking het kind spoedig de kracht van lichaam en geest terugschenken om zijn van Gode beschikte taak in school en maatschappij opnieuw op zijn smalle schoudertjes te nemen.
Mijn ouders brachten mij naar het Hoofdstation te Groningen, alwaar ik gesteld werd in de verzekerde bewaring van de in lange witte schorten gestoken zusters van Elim. Vandaar zou het met bussen verder gaan. Pa barstte uit in het gesmoorde snikken van de volwassene, waarvan een kind nog niets begrijpt. Ik had slechts oog voor de vele treinen die af en aan reden op talloze parallelle sporen, gescheiden door lange perrons. Thuis had ik een eenvoudig dubbel ovaal met twee handbediende wissels. Vurig wenste ik het uit te breiden tot een dergelijk emplacement, hetgeen ik later ook daadwerkelijk klaar speelde.
Het afscheid was innig en emotioneel. Althans, aan Vaders en Moeders zijde. Mij was het zaak, zonder al te veel vertraging in een van de twee luxueuze Mercedes Benz toerbussen te belanden die mij met 79 andere uitverkoren kinderen naar het beloofde land zou brengen, een biebelebonse berg van fijn speelzand temidden van de golven, waar rondom dolfijnen blij tsjilpend opspringen uit het zilte nat, aangemoedigd door spetterend applauderende zeeleeuwen.
Zo stijf omknelde ik met gebalde kinderknuist de handgreep van het roodgeruite koffertje, dat mij de knokige knokkeltjes wit uitstaken. Rondom voorzien van een ritssluiting, bevatte het mijn door Opoe en Moeder zorgvuldig geoormerkte reisgarderobe, conform de lijst Door Het Kind Mede Te Nemen Kleding. Bovenop had Vader met sjorriemen mijn schep bevestigd, die door haar formaat geen plaats vond in mijn valies. Ze bestond uit een blankhouten steel en een blauwgeverfd metalen blad en werd mijn baken, mijn reisstaf en mijn talisman, op een vreemde en verre tocht naar onbestemde oorden.
Een barre busreis door het grauwe Groningerland bracht ons aan de haven van Oostmahorn. De Lauwerszee was namelijk in die tijd nog open water. Op de kade werden met gestrenge hand de makke kinderen in rotten van twee gedrongen, teneinde zich gezamenlijk in te schepen op de “Schiermonnikoog”, een stijlvol en wendbaar passagiersscheepje, dat op het achterdek plaats had voor twee automobielen of een niet te grote vrachtwagen. Ons dreven ze de salon in, met als eerste het gebod om op onze zitplaatsen te blijven behoudens voor hoogstnoodzakelijk toiletbezoek, onder de verplichting tot het opsteken van geen andere dan de wijsvinger.
“Hojo!”, het zeegat uit, met een vat vol rum.
Het behoeft wel geen betoog, dat ik als leergierig en voorlijk kind op de hoogte was van getijden en zeespiegels. De grillige route die het schip volgde, ofschoon onze bestemming reeds aan de einder viel te ontwaren, wekte bij mij dan ook geen verwondering. Enige uren later meerden wij aan. Een straffe wandeling vanaf de Nieuwe Veerdam - ook wel genoemd de Pier - bracht ons naar ons nieuw asiel voor zes actieve weken. Vooruit met flinke pas3 ging het door het dorp, hand in hand zongen wij als kameraden4. Linksaf draaiden wij in strak gelid voorbij het winkeltje met de prentbriefkaarten op de hoek.
Reeds aanschouwde ik in de verte de duinen, enorme zandhopen waarin ik naar hartenlust zou mogen graven. Mijn blik ging naar beneden, naar het glimmend blauwe metaal van mijn schep en moedig sloeg ik de ogen op naar het onbekende land. Eenzaam en grijsd5 verhief zich de oude vuurtoren, een goedertieren baken dat des nachts met tussenpozen zijn aanschijn over ons zou doen lichten, een zinnebeeld van Gods periodieke genade. Na een honderd meter gaans stonden wij voor de poorten van Elim. De oase van rust, reinheid en regelmaat. In vooroorlogse Duitse klinkersteen rees ze op uit het losse zand, de vaste burcht uit het Lutherlied, een toevlucht voor de Zijnen.
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet Zijn hulp verschijnen!
Hier werd ik gedwongen alles te eten wat ik niet lustte. Nog steeds komt mij de gal omhoog door de textuur van griesmeel. Vlees kwam gemalen op het bord, wat de spijsvertering bevorderde. Bij alle maaltijden werd gekookte melk geschonken, veelal met een vel. Smaak en geur van johannesbroodstroop vervullen mij tot de huidige dag met walging, wanneer mijn vrouw de fles met charoupi opent. Nooit meer wil ik koud douchen. Nog immer krijg ik paniek wanneer er zeep in mijn ogen komt. Ontbijten doe ik zelden. Groepsgedrag is mij een gruwel. Liefst loop ik uit de pas. Ik geniet wanneer ik alleen ben.
Ik kreeg in deze zes weken geen vriend. Tezeer was ik in survival mode, teruggetrokken in mijn cocon en alle input afwerend, lijdzaam en berustend afwachtend tot ook deze bui was overgetrokken. “Achteraf lach je erom” placht Vader te orakelen wanneer ik als een berg opzag tegen een op handen zijnde moeilijke periode. Deze lijfspreuk had mij door de twaalf weken in het ziekenhuis geholpen, en zou nog veel vaker in mijn leven de kop opsteken. Gaf ze me dan weliswaar de kracht om door te houden, zo ontnam ze me daarbij elk initiatief.
Betreffende het fysieke aspect wierp de uitzending zijn vruchten af. Te bestemder tijd keerde ik huiswaarts met blozende wangen en dikke benen. Terug naar de Geref. School voor L.O., waar ze me Dikke Eilers begonnen te noemen. Veel reden tot achterafgelach had ik niet.
Are you going to Scarborough Fair?
Parsley, sage, rosemary, and thyme
Remember me to one who lives there
She once was a true love of mine
Exodus 14:21-22
Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de HEERE deed de zee de hele nacht door een krachtige oostenwind wijken en maakte de zee droog. En het water was voor de Israëlieten een muur aan hun rechter- en aan hun linkerhand. Zo gingen de Israëlieten midden door de zee op het droge.
De paden op, de lanen in,
Vooruit met flinke pas,
Met stralend oog en blijde zin,
En goed gevulde tas.
De zonne lacht ons vrolijk toe,
Ons groet der vog’len zang,
En wij, wij worden vast niet moe,
Al wand’len w’uren lang.
Tra-ta-ta-ta bom, bom, tra-ta-ta-ta bom, bom,
Al wand’len w’uren lang.
Hand in hand, kameraden,
Hand in hand voor Feyenoord één.
Geen woorden maar daden,
Leve Feyenoord één!
naar “Klokke Roeland”:
Boven Gent rijst, eenzaam en grijsd
't Oud Belfort, zinbeeld van 't verleden
Somber en groots, steeds stom en doods
Treurt d'oude held op 't Gent van heden
Maar soms hij rilt, en eensklaps gilt
Zijn bronzen stemme door de stede
Trilt in uw graf, trilt Gentse helden
Gij, Jan Hyoens, Gij, Artevelden
Mijn naam is Roeland, 'k kleppe brand
En luide storm in Vlaanderland!



